Vragen? Bel ons gerust op 035 625 20 51

Vijf valkuilen bij debatteren in de klas

Kwade deelnemers, persoonlijke aanvallen en oeverloos gewauwel. Hoewel deze uitkomsten vaak aan ‘debat’ worden gekoppeld, is ons standpunt: gooi het kind niet met het badwater weg. De oorzaak van de problemen zit niet zozeer in de methode zelf, maar dat de uitvoering beter kan.

Ook de lestip iedere maand in je mailbox? Meld je hier aan.

#1 Er is geen derde onafhankelijke partij

Bij een discussie probeer je elkaar te overtuigen, maar bij een debat is je doel om een derde onafhankelijke partij te overtuigen. Het grote voordeel van die derde partij is dat het veel minder persoonlijk wordt. Zo voelt ‘ik vind dat de tegenstanders niet goed naar ons argument hebben geluisterd’ anders dan ‘jij luistert niet naar me’. Bovendien zorgt zo’n derde groep (juryleden, rechters of publiek) voor reflectie: zij kunnen vertellen welk argument hen heeft doen twijfelen of zelfs van mening deed veranderen. Blijf daarom als docent benadrukken dat de leerlingen de derde partij aanspreken in plaats van elkaar.

#2 Er is geen meningsverschil

Zonder meningsverschil is er geen debat mogelijk. Als iedereen het al met elkaar eens is, wie moet er dan nog overtuigd worden? Zorg daarom als docent dat je een stelling kiest waarbij de meningen vooraf verdeeld zijn. Dat kun je gemakkelijk testen: leg de leerlingen meerdere stellingen voor, laat ze stemmen en kies alleen de stelling waar een grote groep zowel voor als tegen is. Een andere, nog betere lesvorm om deze valkuil te voorkomen, is door de leerlingen te laten debatteren met een opgelegd standpunt in plaats van hun eigen mening. Zorg voor een stelling waarbij aan beide kanten gemakkelijk argumenten te bedenken zijn. Voor ideeën en goede stellingen kun je hier terecht.

#3 De regels worden niet nageleefd

Voor- en tegenstanders moeten gelijke kansen krijgen om hun punt naar voren te brengen om de derde partij te overtuigen. Dat betekent dat zij evenveel voorbereidings- en spreektijd moeten krijgen, anders strijd je met ongelijke wapenen. Om dit te garanderen, heb je regels nodig. De debatleider speelt hierin een cruciale rol. Deze scheidsrechter is de enige die bepaalt wie, wanneer, hoe lang mag spreken. Als docent kun je deze rol op je nemen, waarbij je streng doch rechtvaardig de regie voert op deze tijd. Als iedereen de regels kan dromen, kan een leerling deze mooie taak overnemen.

#4 Er is geen duidelijk afgebakend onderwerp

Een goed debat begint met een definitie en dat luistert nauw. Je kunt bijvoorbeeld pas argumenten uitwisselen over de stelling “harddrugs moet worden gelegaliseerd” als je weet wat het (beleids)plan van de voorstanders is. Anders krijg je de situatie dat de tegenstander zegt “straks liggen de zakjes coke naast de kauwgom bij de kassa” terwijl de voorstanders alleen de apotheken als verkooppunt in gedachten hadden. Dan praat je al snel langs elkaar heen. Daarom is het belangrijk dat de eerste spreker van de voorstanders eerst een helder plan op tafel legt, voordat de uitwisseling van argumenten begint.

#5 Er is geen vrijheid van het woord

‘We agree to disagree’. Je kunt alleen debatteren als deelnemers zich vrij voelen om alle argumenten aan te voeren die zij van belang vinden voor hun standpunt (voor of tegen). Óók wanneer iedereen uit het publiek het daarmee faliekant oneens is. Er mag niemand worden uitgesloten van het gesprek. Die vrijheid geldt tegelijkertijd ook voor de derde onafhankelijke jury: deelnemers behoren hun oordeel te respecteren en accepteren. Zorg dus als docent dat je de vrijheid van het woord van alle deelnemers beschermt.

Scroll to Top